speech Ernst Jan Rozendaal

Speech Ernst Jan Rozendaal
Arnhem, 23 oktober 2017

Dag lieve leuke grappige Wick. Met die woorden reageerde Hetty vorige week zondag in onze groeps-app op het bericht dat Wick was overleden. We communiceerden de laatste weken dagelijks over hem. We is Hetty, Carolien, Wim, Mikel – die ook ernstig ziek is en van wie het geweldig is dat hij hier vandaag kan zijn – en ik.

Ik leerde Wick kennen in 1980, toen we, gelijk met Wim, Nederlands gingen studeren in Amsterdam. Negen jaar lang zagen Wick en ik elkaar vrijwel elke dag. Alle colleges en werkgroepen deden we samen, we liepen stage op zijn oude school in Kampen en uiteindelijk woonden samen in een driekamerappartement, als sociaal beheerder van een studentenflat. Gewoonlijk werd dat door stelletjes gedaan. Ik weet nog goed dat wij tijdens het sollicitatiegesprek betoogden dat het veiliger was ons aan te nemen, omdat wij niet uit elkaar konden gaan, wat bij andere koppels nogal eens gebeurde.

Als bleue jongetjes ontdekten we de wereld en werden we volwassen. Zonder Wick was ik nu een andere persoon geweest – en ik ben denk ik niet de enige hier.

Regelmatig gingen we de stad in, langs tweedehands boekenzaken en Van Genneps moderne antiquariaat, waar Wick vaak met stapels wegging. We hadden weinig geld, hij spaarde een hap uit zijn mond om een boek te kunnen kopen, maar ik herinner me nog goed dat hij ook een gulden gaf aan een bedelaar die op het Spui stond. Hij las altijd en overal. Zondagsmiddags zat hij bij een EK of een WK schaatsen voor de tv, verdiept in een studieboek of een roman, en dan kon hij na afloop alle rondetijden tot op de honderdste seconde opdreunen én zijn boek navertellen.

Ook als hij danste of voetbalde was Wick een uitblinker. In de sporthal van Uilenstede groeide het aanvankelijke driemanschap uit tot een hechte club van zes. In mijn column in de krant heb ik laatst een vergelijking getrokken met de geweldige televisieserie Cold Feet: zes vrienden die al het denkbare lief en leed delen en ontzettend veel lol hebben. Wick was onze hoofdrolspeler, onweerstaanbaar grappig. Op het voetbalveld kon je al lachen om zijn fenomenale techniek – als hij de bal dood legde in zijn nek, of als hij voor de leut zijn tegenstanders zo vaak mogelijk door de benen speelde. Soms kon je onbedoeld om hem lachen. We zijn eens naar een klassiek concert geweest in het Concertgebouw, na een nacht waarin hij had doorgehaald. Tijdens de rustige passages moesten we hem wakker stoten, want hij zat keihard te snurken. Die scène kan zo in Cold Feet.

Of deze: ik had mijn enkelbanden gescheurd en lag in het ziekenhuis. Wick kwam op bezoek. Hij kwam de kamer binnen en realiseerde zich in één oogopslag dat de man die naast mijn moeder aan mijn bed zat de dominee moest zijn. Dus begroette hij me voor het eerst in mijn leven met een kus. Hij genoot van de verwarring die dan ontstond. Jaren later had mijn moeder het er nog over.

IK bezocht Wick in het ziekenhuis de dag nadat hij met Nathalie was getrouwd, toen zeker was dat hij niet lang meer zou leven. Eerder die week was Walter Becker overleden, gitarist van een van Wicks favoriete bands, Steely Dan. De hele weg, van Middelburg naar Utrecht, heb ik muziek van Steely Dan gedraaid. Als een voorbarig requiem, maar ook als een katalysator van alleen maar mooie herinneringen. Hij zat in zijn ziekenhuisbed, broos, af en toe verward maar ook nog messcherp. Zijn ogen lichtten op toen ik over Steely Dan begon. Aan die enorme stroom herinneringen voegde hij een prachtig beeld toe. Zachtjes begon hij voor zich uit te zingen: ‘Aja, when all my dime dancing is through, I run to you.’ Nooit heeft hij me meer ontroerd.

Niet toevallig kocht ik vorige week een boek over Steely Dan, Major Dudes heet het, naar een van hun andere liedjes. Ik las alleen maar citaten die over Wick leken te gaan, over de combinatie van een swingende groove, buitengewone intelligentie, virtuositeit en sardonische humor. Logisch dat hij gek op ze was. En laten we wel wezen, als er iemand een Major Dude was – hoe zal ik het vertalen? – een enorm coole gast, een bink van de buitencategorie, dan was het Wick. We gaan zo luisteren naar Deacon Blues van Steely Dan, over een burgermannetje dat liever een loser wil zijn. Wick was juist een winnaar, maar hij was helaas kansloos tegen de tumor in zijn hoofd. ‘They got a name for the winners in the world, but I want a name when I lose’, horen we straks in het refrein. ‘They call Alabama the Crimson Tide, call me Deacon Blues.’ Ik stel voor dat we zo meteen in ons hoofd die laatste woorden vervangen door ‘call me Major Dude.’

Dag lieve, leuke, grappige Wick.

< terug